Stageonderwerpen

Onderzoekcentrum B-WARE is gespecialiseerd in hoogwaardig toegepast wetenschappelijk onderzoek op het gebied van natuurherstel en -ontwikkeling. Veel natuurterreinen worden bedreigd door de zogenoemde ver-problematiek zoals vermesting, verdroging, verzuring en versnippering. Door analyse van water- en bodemkwaliteit, in combinatie met de vegetatieontwikkeling, wordt duidelijk waar de problemen liggen en hoe een terrein hersteld kan worden. Daarnaast worden veld- en laboratoriumexperimenten uitgevoerd om onder gecontroleerde omstandigheden te simuleren wat de daadwerkelijke effecten van bepaalde stoffen (bijvoorbeeld stikstof) in het milieu zijn, maar ook wat het effect zal zijn van bepaalde herstelmaatregelen. Op basis van de resultaten kunnen we dan een gedegen advies uitbrengen aan de terreinbeheerder.

B-WARE heeft stage- en scriptieonderwerpen voor BSc- en MSc-studenten Biologie (Ecologie), maar ook voor studenten van hogere en middelbare laboratoriumopleidingen (HLO en MLO richting Analytische chemie of Botanie).

Voor meer informatie kun je contact opnemen met Onderzoekcentrum B-WARE via info@b-ware.eu of 024-2122200.


Stageonderwerpen

Verzuring in het zandlandschap

OBN Diepe uiterwaardplassen

Beekslib in broekbossen

Acrotelmontwikkeling in hoogveenrestanten

Effects of altering salinity levels on biogeochemical processes and typical brackish submersed macrophytes

Unravelling the strong prey specialisation on caddish fly larvae of the rare predacious water beetle Dytiscus latissimus

Stage-onderwerpen over paddenstoelen in 2018


Scriptieonderwerpen

Historisch onderzoek naar het gebruik en beheer van veenmosrietlanden


Stage-onderwerpen

Verzuring in het zandlandschap

In het zandlandschap (heide, heischrale graslanden en bossen op zandgronden) neemt de biodiversiteit al jarenlang af. Niet alleen kenmerkende plantensoorten verdwijnen langzaam uit het landschap, ook dieren hebben het zwaar. Een van de oorzaken hiervoor is bodemverzuring. De zandbodems zijn gevoelig voor verzuring, en hebben al een flinke klap gehad door de zure regen uit de vorige eeuw. Toch komen er ook nu nog iedere dag te veel zuur en verzurende componenten op de bodem terecht, in de vorm van stikstofdepositie. B-WARE probeert een duurzame oplossing te ontwikkelen om de bodem te herstellen, en daarmee ook weer geschikt te maken voor de kenmerkende plant- en diersoorten. We doen dit door verschillende experimenten uit te voeren in bossen en heide waarin wordt gekeken naar de effecten op de bodemchemie, plantchemie en plantensamenstelling. Daarnaast werken we met verschillende partners samen die ook kijken naar de effecten op het bodemleven (bacteriën en schimmels) en grotere dieren.

Meer informatie? Neem contact op met Maaike Weijters (m.weijters@b-ware.eu).


OBN Diepe uiterwaardplassen (in samenwerking met NIOO, RAVON, SOVON en Deltares)

De ecologische waarden van diepe plassen en (ver)ondiep(t)e plassen worden onderzocht. Dit omtrent het momenteel ‘hot issue’ van het gebruik van diepe plassen om te verondiepen met bijv bagger en zo ook biodiverse ondiepe plassen te creëren. Ecologisch onderzoek aan rivieren richt zich meestal op de stromende delen: de hoofdstroom of de nevengeulen. De kennis over de ecologische rol van diepe uiterwaardplassen is nog zeer beperkt. Ze zijn meestal door mensenhand ontstaan (zand-, klei of grindwinning), waardoor een geschikt referentiebeeld ontbreekt. Deze kennis is juist nu nodig omdat er veel initiatieven zijn om diepe plassen in uiterwaarden te verondiepen, meestal als specieberging (€€) in combinatie met natuurontwikkeling. Voor terreinbeheerders biedt dit een mogelijkheid om met gesloten beurs natuur te ontwikkelen. Voor een goede invulling ontbreekt echter nog de nodige kennis van het ecologisch functioneren van deze plassen.

Meer informatie? Neem contact op met Yvon Verstijnen (y.verstijnen@b-ware.eu).

 


Beekslib in broekbossen (start ergens najaar 2018)

Door jarenlange oxidatie (door drainage) is het gehalte aan ijzer in bodems van broekbossen sterk afgenomen, waardoor directe vernatting van de broekbossen zonder voorzorgsmaatregelen geen optie is. In dit project wordt de toepassing van ijzerrijk slib, dat als restproduct wordt gehaald uit beken, onderzocht om in gedegradeerde broekbossen de bodem te herstellen alvorens vernatting, ten behoeve van vegetatie ontwikkeling en herstel van broekbossen.

Meer informatie? Neem contact op met Esther Lucassen (e.lucassen@b-ware.eu).
 


Acrotelmontwikkeling in hoogveenrestanten (start voorjaar 2019)

Voor het herstel van een hoogveen is de vorming van een nieuwe acrotelm cruciaal. Binnen de projecten naar het stimuleren van acrotelmontwikkeling in hoogveenrestanten zal worden gekeken naar de effecten van de behandelingen op de emissies van broeikasgassen. De precieze invulling van dit onderzoek is afhankelijk van de ontwikkelingen binnen de experimenten.

Meer informatie? Neem contact op met Hilde Tomassen (h.tomassen@b-ware.eu).


Effects of altering salinity levels on biogeochemical processes and typical brackish submersed macrophytes

Both BSc and MSc internships are an option.

Internships will be focussed on laboratory and/or greenhouse experiments focussing on the effects of increasing/decreasing/fluctuating salinity levels on the interaction between biogeochemical processes and the functioning of submersed macrophytes.

This is part of several larger projects on effects of altering salinity levels, specific focus of the internship and experiment are open for discussion. The internship will always be part of one of the running projects and will also include participation within these projects.

More info? g.vandijk@b-ware.eu


Unravelling the strong prey specialisation on caddish fly larvae of the rare predacious water beetle Dytiscus latissimus

Options for a MSc internship

This internship will be in collaboration with the Bargerveen foundation and will focus on the combination of fieldwork in an ongoing study and chemical analyses van various prey species of predacious water beetles. This internship will include participation in the ongoing ecological study on this extremely rare and threatened water beetle.

More info? g.vandijk@b-ware.eu

 


Stage-onderwerpen over paddenstoelen in 2018

  • Enige kennis over paddenstoelen gewenst, bereidheid tot leren kennen van soorten vereist
  • Stageperiode liefst vanaf zomer tot eind van het jaar of later, zodat veldwerk in herfst gedaan kan worden

Onderwerp 1: De rol van fungi bij het herstel van de basenverzadiging van arme zandgronden

In de tweede helft van de 20e eeuw heeft een enorme achteruitgang plaatsgevonden van de biodiversiteit van de hogere zandgronden in Nederland. Atmosferische depositie van zwavel en stikstof hebben hier een belangrijke rol in gespeeld. Inmiddels is vooral de zwaveldepositie afgenomen en wordt geëxperimenteerd met het weer terugbrengen van de door verzuring en uitloging verdwenen mineralen. Hiervoor wordt o.a. kalk en steenmeel gebruikt, een afvalproduct waarvan sommige soorten veel mineralen bevatten die door verzuring en uitloging uit de zandgronden zijn verdwenen.

Bekalking leidt tot een vrij plotselinge stijging van de pH in de toplaag, vaak tot waarden ver boven de oorspronkelijke. Hierdoor kan versnelde afbraak van organisch materiaal optreden, iets wat in eerste instantie zichtbaar wordt in de mycoflora en vervolgens ook in verruiging van de vegetatie. Wanneer niet basische steenmeel-soorten gebruikt worden, treedt deze verruiging naar verwachting niet op. Ook is de verwachting dat de mineralen uit het steenmeel vooral door schimmels beschikbar moeten worden gemaakt voor de vegetatie. De mycoflora reageert naar verwachting dus anders op bekalking dan op toediening van steenmeel.

Op dit moment lopen er een aantal experimenten met toediening van steenmeel en kalk. Er zijn experimenten in eikenbos, dennenbos op stuifzand, jeneverbesstruweel, stuifzand, droge heide en heischraal grasland. Hier wordt de samenstelling van bodem en vegetatie intensief gevolgd. Het zou een grote meerwaarde zijn als in deze experimenten ook de mycoflora zou worden onderzocht. Dit zou meer inzicht kunnen verschaffen op o.a. de effecten van kalk en steenmeel op de afbraak van organisch materiaal en de activiteit van mycorrhiza-paddenstoelen. In steenmeel behandelingen kan verwacht worden dat de schimmel een sterkere positie krijgt ten opzichte van de planten, omdat alleen de schimmel de mineralen uit het steenmeel kunnen vrijmaken. De plant moet dan meer (koolstof) in de schimmel investeren, wat zou leiden tot een hogere productie van vruchtlichamen.

Mogelijk nadeel van dit onderwerp is dat veel van de onderzoekslocaties tamelijk droogtegevoelig zijn; wanneer de zomer en herfst droog zijn, zullen er weinig paddenstoelen te vinden zijn.

In de volgende heiden en heischrale graslanden zijn proefvlakken aangelegd waarbij geëxperimenteerd wordt met toediening van verschillende soorten en hoeveelheden steenmeel, en van kalk:

  • Nationaal Park de Hoge Veluwe
  • De Regte Heide (Hilvarenbeek)
  • De Maasduinen (Venlo)
  • Strabrechtse heide (Eindhoven)
  • Noordenveld (Dwingeloo)

In de volgende terreinen zijn proefvlakken aangelegd waarbij geëxperimenteerd wordt met toediening van verschillende soorten en hoeveelheden steenmeel, en van kalk:

  • Nationaal Park de Hoge Veluwe (jong dennenbos, eikenbos)
  • Maasduinen (eikenbos)
  • Harderwijk (naaldbos & gemengd bos)
  • Jeneverbesstruwelen op diverse locaties

In deze vlakken worden bodemsamenstelling en vegetatie gevolgd, maar niet de paddenstoelen. Onderdeel van het probleem in deze bossen was dat de bezetting van de wortels met mycorrhiza door verzuring en vermesting sterk achteruit was gegaan. Het zou zeer interessant zijn om in de plots niet alleen de vruchtlichaam vormende paddenstoelen te noteren, maar ook de mycorrhizabezetting van de boomwortels te onderzoeken. Van de jeneverbesstruwelen worden door anderen bovendien data verzameld van de mycoflora die met behulp van moleculaire technieken is verzameld.

Een stage zou kunnen beginnen met het selecteren van plots en het onderzoeken van de mycorrhiza-bezetting. In de tweede helft van de stage kan dan gekeken worden naar de vruchtlichaam vormende paddenstoelen.

Onderwerp 2: Graslandfungi in bos

In Nederland komen enkele honderden soorten paddenstoelen voornamelijk in graslanden voor. Dit zijn vooral wasplaten (Hygrocybe spp), satijnzwammen (Entoloma spp), aardtongen (Geoglossum spp), knotszwammen (Clavaria, Clavulinopsis) en koraalzwammen (Ramariopis). Vrijwel alle soorten zijn in zekere mate bedreigd, omdat ze vooral voorkomen in oude, schrale graslanden. Toch worden veel van de soorten ook wel eens in bossen gevonden. Op de schaarse plekken waar dit het geval is, staan vaak meerdere soorten bij elkaar. Ook recent geconstateerd dat dit vooral het geval is bij bomen die geen ecto-mycorrhiza vormen, maar wel vesiculair-arbusculaire mycorrhiza, en dan alleen op standplaatsen waar de boom moeite heeft om aan voldoende voedingsstoffen te komen (studentenverslag).

Voor wasplaten, het meest kenmerkende geslacht met graslandpaddenstoelen, zijn zeer afwijkende delta N en delta C verhoudingen geconstateerd, die lijken te wijzen op een intensieve samenwerking met andere organismen in de bodem (Seitzman, 2011). Aangezien zowel in schrale graslanden als voedselarme bossen een hoge activiteit van VA-schimmels mag worden verwacht (als partner van grassen, respectievelijk bomen), ligt het voor de hand dat de graslandpaddenstoelen een interactie aangaan met deze VA-schimmels. Zo wordt het voor de graslandpaddenstoelen mogelijk om gebruik te maken van koolstof die door grassen, respectievelijk bomen is vastgelegd. Van ecto-mycorrhiza netwerken is bekend dat zij een cruciale rol spelen in het verdelen van door bomen vastgelegd koolstof (Klein e.a, 2016).

Deze hypothese kan het beste worden getest door na te gaan of gelabeld koolstof, dat door de boom wordt vastgelegd, terug kan worden gemeten in de vruchtlichamen van de graslandpaddenstoelen. Dit is echter een dure methode, waarvoor op dit moment geen financiering is. Een goedkoop alternatief kan zijn om gedurende een groeiseizoen de bladeren van een boom die vermoedelijk koolstof levert, te verwijderen. De koolstofaanvoer valt dan stil en hiermee waarschijnlijk ook de productie van vruchtlichamen van paddenstoelen. De meest geschikte locatie om deze theorie te testen is gelegen op Terschelling. Er zijn diverse bosjes waar graslandpaddenstoelen zijn aangetroffen bij verspreid staande lijsterbes en amerikaanse vogelkers. Deze struiken zijn hier slechts enkele meters hoog, zodat het relatief eenvoudig is om enkele exemplaren grotendeels te ontbladeren.

Brian H. Seitzman, Andrew Ouimette, Rachel L. Mixon, Erik A. Hobbie & David S. Hibbett (2011) Conservation of biotrophy in Hygrophoraceae inferred from combined stable isotope and phylogenetic analyses, Mycologia 103:2, 280-290.

Tamir Klein, Rolf T. W. Siegwolf, Christian Körner (2016) Belowground carbon trade among tall trees in a temperate forest. Science 353: 342-344.

Voor meer informatie, bel of mail Emiel Brouwer (024-2122205, e.brouwer@b-ware.eu), of loop langs bij B-WARE (Mercator III gebouw, 2e verdieping).


Hoe gasbellen in de bodem waterdoorlatendheid beïnvloeden en welke invloed heeft waterkwaliteit hierop?

In nauwe samenwerking met collega’s van de Wageningen Universiteit zijn er twee stageonderwerpen over de effecten van gasbellen in de bodem op waterdoorlatendheid en welke rol waterkwaliteitsveranderingen hierin kunnen spelen.
Een scriptie aan dit onderwerp is ook mogelijk.

Voor details en contactgegevens zie de informatie hieronder:

 


Scriptieonderwerpen

Historisch onderzoek naar het gebruik en beheer van veenmosrietlanden

De rietlanden in de Nieuwkoopse Plassen zijn sterk verouderd. Uit voorgaand onderzoek (Van den Broek et al., 2011) zijn hypotheses ontstaan tussen de kwaliteit van veenmosrietlanden en de relatie tussen het organisch stofgehalte van de bodem en de hoeveelheid aluminium en ijzer. Het organisch gehalte is duidelijk lager bij ‘goede’ veenmosrietlanden en de hoeveelheid aluminium en ijzer is hier juist hoger dan bij ‘matige’ veenmosrietlanden. Deze resultaten wijzen erop dat de kwaliteit van de vegetatie samenhangt met de hoeveelheid klei/lutum in de bodem: hoe meer klei, hoe beter de kwaliteit van de vegetatie lijkt te zijn.

De vraag is waar deze aanwezige klei vandaan komt. Is de klei in het verleden tijdens inundaties afgezet of is de klei afkomstig van oorspronkelijke afzettingen middels inundaties uit een verder verleden? Het is ook mogelijk dat klei in het verleden actief opgebracht is omwille van de kwaliteit van het te oogsten riet. Omdat veenmosrietlanden onderdeel uitmaken van een agrarisch productiesysteem is het interessant om uit te zoeken hoe de rietsnijders vroeger de kwaliteit op orde hielden, opdat het de moeite loonde om de rietlanden in productie te houden. Verruiging diende immers te worden voorkomen, omdat dit de kwaliteit van het riet niet ten goede kwam. Wat deden de rietsnijders vanuit het gebruik van de rietlanden om deze op orde te houden?

De herkomst van de klei zal mogelijk inzicht geven in het type beheer dat het beste uitgevoerd kan worden om veenmosrietlanden te behouden, verbeteren of herstellen. Een belangrijke component binnen dit historisch onderzoek is het analyseren van vroege waterkwaliteitsgegevens om te achterhalen of er in vergelijking met de huidige situatie meer of minder klei in het oppervlaktewater zit (die voor inundatie kan worden gebruikt). Ook de effecten van plaggen kunnen hiermee beter worden ingeschat. Mogelijk dat klei op ‘goede’ locaties al ondieper aanwezig is door redelijk recente plagactiviteiten, terwijl er op ‘matige’ locaties op grotere diepte toch een kleilaagje aanwezig is dat echter buiten de wortelzone valt en daardoor momenteel geen invloed heeft op de kwaliteit van het betreffende veenmosrietland. Het is bekend dat rietsnijders hun rietlanden omwille van behoud van een goede rietkwaliteit wel eens plagden. Middels historisch bronnenonderzoek en interviews wordt getracht meer inzicht te krijgen in het vroegere gebruik en/of beheer van veenmosrietlanden.

Meer informatie? Neem contact op met José van Diggelen (j.vandiggelen@b-ware.eu).


Hoe gasbellen in de bodem waterdoorlatendheid beïnvloeden en welke invloed heeft waterkwaliteit hierop?

In samenwerking met  de Wageningen Universiteit is er een scriptieonderwerp over de effecten van gasbellen in de bodem op waterdoorlatendheid en welke rol waterkwaliteitsveranderingen hierin kunnen spelen. Voor meer informatie zie de bijbehorende stageonderwerpen hierboven of neem contact op met Gijs van Dijk (g.vandijk@b-ware.eu of 024-2122203).