Toekomst vennen in het nat zandlandschap in 2050
Het huidige referentiekader voor Nederlandse natuurtypen is gebaseerd op de klimaatomstandigheden waaronder deze systemen zich oorspronkelijk hebben ontwikkeld. De realiteit is echter dat ons klimaat al verandert – en de komende decennia verder zal veranderen. Dat zal onvermijdelijk leiden tot verschuivingen in het ecologisch functioneren en soortensamenstellingen. Inmiddels is het Nederlandse klimaat al ruim 2 graden opgewarmd, en richting 2050 komt daar naar verwachting minstens nog een graad bij. Geografisch gezien betekent dit dat ons klimaat qua temperatuur steeds meer gaat lijken op dat van Midden- of zelfs Zuid-Frankrijk.
Deze klimaatgerelateerde uitdagingen raken in principe alle habitattypen in Nederland, al is het ene type gevoeliger dan het andere. Vooral habitats met een beperkt verspreidingsgebied of habitats die in Nederland hun zuidgrens bereiken, zijn kwetsbaar voor het opschuiven van klimaatzones. Het wordt daarom steeds urgenter om per habitattype te onderzoeken in hoeverre beheer en beleid aangepast moeten worden aan het huidige én toekomstige klimaat.
Vanuit OBN Natuurkennis zijn daarom twee habitattypen geselecteerd voor een pilotstudie, vanwege hun bovengemiddelde klimaatgevoeligheid op basis van geografische verspreiding: H3160 Hoogveenvennen en H3130 Zwakgebufferde vennen.
In het kader van het OBN Natuurkennis project 'Toekomst vennen in het nat zandlandschap in 2050' bezochten collega’s Bas van de Riet, Emiel Brouwer en Douwe Geerts onlangs een aantal terreinbeheerders en onderzoekers in de omgeving van Bordeaux, Frankrijk. Het doel van die werkreis was om kennis uit te wisselen met het INRAE, de Université de Bordeaux en het Parc naturel régional des Landes de Gascogne over het functioneren van die twee habitattypen en specifiek de potentiële impact van een opwarmend klimaat op de sturende hydrologische en biogeochemische processen. Daarbij kwamen vragen aan bod als: welke nieuwe combinaties van sturende processen kunnen worden verwacht? Welke (systeembepalende) soorten horen daar mogelijk bij? Wat betekent dit voor het optimale beheer van een toekomstig of “nieuw” ecosysteem? En welke overgangseffecten zijn te verwachten?
De uitwisseling leverde volop nieuwe inzichten en waardevolle discussies op – een belangrijke stap om beter voorbereid te zijn op de toekomstige natuursituatie!
Bericht van LinkedIn op 10 juni 2026.